vrijdag 8 augustus 2014

Suikerfeest op Kerkennah

Het zit er weer op, de Ramadan.  Na een maand vasten trakteert Tunesië zich op een paar vrije dagen en omdat het op vrijdag ook al een feestdag was, de dag van de Revolutie, betekent dat bijna een week vrij.  Leuk om er weer een keertje op uit te trekken.  Naar Kerkennah, besluiten we.  Het kleine eiland niet ver uit de kust stond al op ons to-do lijstje en vrienden tippen ons dat het er goed is.  Op zondagmorgen vertrekken we met onze huurauto naar Sfax, waar we de boot gaan nemen.  Het is rustig onderweg.  Het Suikerfeest begint morgen en dat betekent dat er maar weinig mensen op straat zijn.  Halverwege Tunis en Sfax waagt Caroline zich achter het stuur.  Voor het eerst in Tunesië en natuurlijk is er geen vuiltje aan de lucht.  In Sfax blijkt het dan toch weer een stukje drukker.  We rijden net de stad in op het moment dat Sfax inkopen aan het doen is voor het breken van het vasten.  Omdat we nog twee uurtjes moeten wachten tot het vertrek van de  eerstvolgende boot lopen we een beetje rond in Sfax en zoeken we een plekkie waar we een bakje koffie kunnen doen.  We hebben mazzel, want al snel vinden we een vijfsterren-hotel.  Goeie kans dat de bar daar gewoon open is.  Die blijkt weggestopt in het souterrain en blauw te staan van de rook.  Een soort maffia-hol eigenlijk, of misschien een zeerovershol.  We zitten immers vlak bij de haven die er niet bepaald uitnodigend uitziet.  Na een snel bakkie houden we het voor gezien en gaan we naar de waterkant waar we nog snel een stiekem hapje eten uit onze meegenomen koelbox.

Drie kwartier voor de geplande afvaart van de boot gaan we naar de kade.  Ruim een uur eerder hadden we te verstaan gekregen dat een halfuurtje voor vertrek de poort open zou gaan en dat we niet hoefden te reserveren, maar we zien tot onze schrik al een gigantische rij wachtende auto’s.  Er is gelukkig nog plek, maar we hadden geen kwartier later moeten komen.  Het inschepen gaat op z’n Tunesisch.  Chaotisch.  Ik moet een auto die van rechts komt – kennelijk een abonnementhouder – voor laten gaan, maar die moet halverwege de oprit vol in de remmen, waardoor onze aanloop ook niet helemaal zonder horten en stoten gaat.  De oprit wordt gewoon gedeeld met voetverkeer, dus da’s oppassen geblazen.  Eenmaal op de boot is het aanschuiven en ineens baal ik er van dat ik van onze vaste verhuurder deze keer een extra dikke auto heb meegekregen.  Stukje klantenbinding.  Gelukkig kijken ze bij de verhuur niet op een krasje meer of minder, want geheel zonder kleerscheuren zijn we er geloof ik niet vanaf gekomen.  Ik meen tenminste het autoportier van onze buurman in het portier van onze huurauto te herkennen, maar ik geef toe dat dat inbeelding kan zijn.  Later, wanneer we de auto terugbrengen in La Marsa, komt de wagenparkbeheerder na een plichtmatig rondje rond de voor ons uitstapje veel te dikke auto, met een brede grijns het kantoortje binnenlopen en zegt ie “nou zullen we het maar weer door de vingers zien deze keer”.  Ik denk dat ie een grapje maakt, maar zeker weten doe ik het niet.  Maar nu gauw terug naar Kerkennah.

Na vijfenzeventig minuten varen leggen we aan op Kerkennah, waar het ontschepen nog chaotischer verloopt dan het inschepen.  Daar werden nog wat aanwijzingen gegeven, maar bij het ontschepen is het ieder voor zich, God voor ons allen.  De gemoederen raken zodanig verhit dat op de kade een paar mensen mekaar in de haren vliegen.  Het zal vast ook te maken hebben met de Ramadan.  Hoe langer die duurt, hoe chagrijniger mensen er van worden.

Eenmaal van het haventerrein af wordt het een stuk makkelijker.  Nog een halfuurtje rijden naar ons hotel wat niet moeilijk te vinden moet zijn, schatten we.  Kerkennah is niet al te groot immers.  En het klopt.  Zonder al te lang zoeken komen we aan bij het Grand Hotel.  Twee sterren maar, maar volgens de reisgidsen wordt het hotel daarmee wel een beetje tekort gedaan.  Het blijkt een prachtige plek te zijn, direct aan het strand, en met zeezicht vanuit alle kamers.  Eén groot nadeel wel.  De watervoorziening op Kerkennah is dusdanig slecht dat een groot deel van de tijd de waterdruk te laag is om lekker te kunnen douchen.  Met kattenwasjes lukt het ons om ons een beetje toonbaar te houden.

Op maandag maken we eerst een toer over het eiland. Het is idyllisch.  Hier en daar en klein dorpje omringd door olijfboomgaarden en wat dadelpalmen.  En verder rust, rust en nog eens rust.  Vooral op maandag is Kerkennah helemaal uitgestorven.  Er zijn maar weinig mensen buiten.  Hier en daar zien we een familie, op weg naar opa en oma om daar het begin van het Suikerfeest te vieren.  Terug in het hotel gaan we naar het strand.  Ook daar rust.  We huren een paar ligstoelen en relaxen. Ik ga zelf nog even het water in.  En da’s tamelijk uniek.  Vind het zeewater meestal te koud, maar hier op Kerkennah kun je een paar honderd meter de zee in lopen zonder dat je haar nat wordt – niet dat ik daar nu direct wakker van zou liggen - en dat betekent ook weer dat het water makkelijk opgewarmd raakt.  En dan, in de late namiddag zien we vanaf ons balkon de zon in de zee zakken.  T’is mooi op Kerkennah.

Dinsdagmorgen beginnen we de dag actief.  We maken een wandeling langs het strand richting Borj El Hissar.  Een in de zestiende eeuw door de Spanjaarden gebouwd fort.  Het blijkt hermetisch afgesloten.  Ik probeer nog langs de vestingwal naar boven te klauteren om een beter vergezicht te krijgen over het eiland, maar ik kom niet ver.  Ik zie wel dat een paar honderd meter verder onze strandstoelen naar ons liggen te lonken, dus we gaan maar gauw terug.  Net op tijd voor een plekkie onder een parasol.  Het Grand Hotel blijkt namelijk het epicentrum van Kerkennah te zijn.  Behalve een paar hotelgasten uit Tunis, komt heel Kerkennah naar het strand bij het Grand Hotel.  Gelukkig is er op het strand en in het water genoeg plek voor iedereen.  Het is gezellig.  Er wordt volop gebadderd, een spelletje strandtennis gespeeld en kinderen voeren een dansje op voor oma.  In het strandrestaurant is het rond lunchtijd dringen geblazen.  Bij zo veel drukte slaan de stoppen in de keuken volledig door, wat betekent dat we even op onze salade en onze pizza moeten wachten.  Maar we hebben geen haast.

vrijdag 1 augustus 2014

La Suédoise

‘Lijk ik nu nog meer op een Europese vrouw die een relatie aan is gegaan met een Tunesiër?  Die in de val is gelopen van zijn charmante praatjes en zijn mooie bruine ogen?’  Ik vraag het me eerlijk gezegd wel eens af als ik denk dat mensen naar ons staren.  Stereotyperingen…we doen er allemaal aan mee.  Waarom eigenlijk?  Is het omdat we enige houvast zoeken in deze chaotische wereld?  Willen we alles veilig in hokjes kunnen stoppen; dat maakt het in ieder geval iets overzichtelijker?  ‘Is het waar?’ wordt me nu gevraagd; ‘ Do blondes have more fun?’  Ik hou in ieder geval niet van domme blondjes grappen en al helemaal niet als een blonde vrouw er zelf mee komt…

Blond ben ik nu, na 45 jaar.  Wat een verandering!  Ik heb niet bewust gekozen voor blond overigens.  Het is het bekende ‘ik spring gewoon maar in het diepe gedrag’, waar ik wel eens vaker last van heb, en dan kijk ik daarna wel wat ik er van vind.  Wat wist ik wel?  Dat ik weinig zin had om mijn haar nog langer te verven.  Ik verf het namelijk al enige jaren…  Nu ik Tunesië woon verschiet de kleur al snel door de zon en al na twee weken zie ik al weer grijze haren doorkomen.  Ik wil af van die nep kleur.

Nu ken ik iemand die dezelfde leeftijd heeft als ik en al een jaar of twee met verve haar grijze haren toont.  Ze heeft een trendy kapsel en ik vind haar altijd juist zo opvallend en uniek.  Ik besluit om haar eens om raad te vragen.  Hoe heb jij dat destijds besloten?  Ze vertelt dat ze het verven ook ‘zat’ was.  Gewoon lekker kort laten knippen in de lente en dan groeit je haar vanzelf wat harder.  Grijs haar is trouwens harstikke  hip tegenwoordig voegt ze er nog aan toe.  Nu had zij zelf zwart haar en die uitgroei met grijs vond ik wel grappig.  Met mijn kleur bruin lijkt me dat toch iets minder mooi.

Ik ga als we in juni in Nederland zijn naar de kapper om advies.  Dat lijkt me toch wat makkelijker in het Nederlands.  Wat is nu de beste manier om de overgang te maken van geverfd haar naar grijs?  De kapster denkt aan ontkleuren.  Dan zie je de overgang het minst volgens haar.  Dat de overgang van donkerbruin naar blond heel groot is, vergeten we voor het gemak maar even.  Dat is een overgang in één keer tenslotte.  Ik besluit ter plekke om me zelf er dus maar in te storten al ben ik wel op mijn hoede.  Eerlijk is eerlijk.  Ik voel me ontheemd in de kappersstoel.  Ik kan eigenlijk wel huilen met het goedje in mijn haar dat in een kuif is gekunsteld en ik vind dat ik verdacht veel op Wilders lijk.   Als een uurtje later alles eruit is gespoeld vind ik dat mijn haar geel is.  Ik staar een vreemde aan.  Ik zeg dapper dat ik het te geel vind en krijg er nog een kleine behandeling overheen.  Het geel trekt iets weg…maar het is absoluut nog geen ‘tjee wat ben ik blij effect’.  Ik voel nu pas hoe belangrijk mijn haar is voor mijn eigen identiteit.  Ik ben tenslotte heel mijn leven al een brunette geweest!


En dan komt natuurlijk fase twee.  Net zo lastig.  Iedereen dapper onder ogen komen terwijl je zelf nog niet straalt van blijdschap.  Best een aparte fase moet ik toegeven.  Ik besluit om er maar een soort eigen psychologisch onderzoek van te maken…  Eens kijken hoe mensen reageren…  Nou best een leuk onderzoek.  Heel verschillende reacties en als mensen niets zeggen weet ik natuurlijk ook al voldoende.  Maar ik neem ze dat niet kwalijk. Eerlijk is eerlijk.  Ik vind er zelf namelijk ook nog geen klap aan.  Het eerste wat ik deed was een hoedje kopen om mijn blonde haar te verbergen.

Nu een paar weken verder merk ik dat ik helaas nog niet helemaal grijs ben, en ik dacht juist van wel…of hoopte eigenlijk van wel.  Peper en zoutkleur lijkt me zo saai. Ik wil zilveren haren!  Ik moet een beetje in mezelf lachen als ik moedeloos, na weer een bezoek aan de kapper, op de bank zit.  Net weer een ontkleuring achter de rug, want de uitgroei werd wel erg zichtbaar.  Mijn hoofdhuid is rood en pijnlijk van de waterstofperoxide.  Wat doen mensen zichzelf aan? Dit kan niet de bedoeling zijn.  Dit was de laatste keer neem ik mezelf ferm voor.  Ik ben vast de enige vrouw op aarde die graag helemaal grijs wil zijn!  De meeste vrouwen die ik spreek lijken namelijk anti grijs te zijn.  Grijs is synoniem voor ‘oud’.  Vooral bij een vrouw.  Bij een man kan het eigenlijk weer wel. Dan is het juist charmant en stijlvol.  Dat het niet altijd eerlijk verdeeld is in de wereld wisten we al langer.  Ik probeer mijn eigen weg te zoeken. Ik ben tenslotte zo oud als ik eruit zie.  Daar kan ik ook niet al te gek veel aan veranderen.
 

Het is trouwens wel zo dat ik inmiddels aan mijn nieuwe ik gewend ben geraakt. Veel mensen zijn positief en enthousiast.  En onze bovenbuurman noemt me nu ‘la Suédoise’.  En met een glimlach op mijn gezicht moet ik bekennen dat ik dat één van de leukste bijnamen vind die ik ooit gehad heb.

maandag 14 juli 2014

Met de Franse slag

Wat is eigenlijk het vrouwelijk equivalent van een francofiel?  En waarom is er een woord bedacht voor mensen die dol zijn op Frankrijk en alles wat er mee te maken heeft?  Bestaat er ook zoiets als een ´spanjofiel´ of een ´italiofiel´?  Volgens google wel, zie ik net.  De toute façon…ik ben op weg om er één te worden geloof ik; het virus heeft me te pakken.  Ik wil al een poosje niets liever dan goed Frans leren spreken en vind het interessant om mezelf te verdiepen in de Franse cultuur en historie.


Is dat weer een nieuwe bevlieging?  Ik ken mezelf inmiddels wel een beetje.  Al sinds mijn jeugd kan ik me in een onderwerp of een persoon vastbijten en dan wil ik er zoveel mogelijk over weten.  Er is ook steeds weer iets nieuws en interessants te ontdekken op deze wereld..  Tja, ik vind gewoon veel leuk geloof ik.  Ik vraag me af of het soms niet een beetje ‘te’ is.  Een leerling zei een poosje geleden tegen me;  ‘ja jij, jij vindt alles leuk!  (Maar ik heb hier toevallig even helemaal geen zin in bedoelde hij mij duidelijk te maken.)  Nou ja, zit een kern van waarheid in, maar dat ik alles leuk zou vinden is natuurlijk zwaar overdreven.  Ter geruststelling; er zijn heel wat dingen op te noemen die ik echt niet leuk vind!

Op de middelbare school vond ik in ieder geval Frans de leukste taal van de drie buitenlandse talen die we kregen.  Waar lag dat aan?  De leraar?  Dat was iemand met een grote voorliefde voor Frankrijk.  Ik herinner me nog dat we in de eerste klas naast Frans ook Nederlands van hem kregen en dat hij tijdens het voorstellen vertelde dat hij het geven van Frans ietsje leuker vond.  Nou…ietsje?  Tijdens zijn lessen heb ik veel kennis opgedaan.  Je weet wel, van die leuke weetdingetjes die hij ons meegaf tijdens de les.  Bijvoorbeeld over hoe de stad Parijs is ontstaan.  Of ´zeg in Frankrijk geen retour als je met de trein heen en terug wilt gaan, maar bestel dan een aller et retour Ik weet nog dat ik toen bedacht dat het later altijd handig zou kunnen zijn en dat ik het maar beter kon onthouden.

Dan, zo’n kleine dertig jaar later heb ik het Frans echt nodig omdat we in Tunesië wonen.  De basis van de grammaticaregels is nog aanwezig merk ik als ik nog in Nederland naar de Alliance Française ga.  Zo zit het rijtje van de bijvoeglijk naamwoorden die voor het zelfstandig naamwoord komen nog steeds in mijn hoofd.  Ik bedenk me dat het leuk is om dat tegen mijn leraar te vertellen en ik schrijf hem een briefje.  Ik weet trouwens dat hij nog op dezelfde school werkt want mijn nichtje zit bij hem in de klas.

Het is overigens geen familiekwestie die voorliefde voor de Franse taal.  Mijn nichtje deelt me keer op keer mee dat het een onnozele taal is en bezweert me dat ze er zo weinig mogelijk tijd aan wil besteden.  Ik moet dan altijd een beetje lachen om de ernst waarmee ze me dat vertelt.  Ik zelf hoop trouwens wel op wat familiair DNA zodat ik me de Franse taal wat makkelijker eigen kan maken. Zeven generaties terug was er een Franse hugenoot, Daniel Boudon, die vanuit Zuid Frankrijk naar Rotterdam is gevlucht. . Mijn voor voor voor vader was een Fransman!

Ik weet het…het is niet alledaags dat ik contact zoek met een leraar.  Als ik het aan anderen vertel krijg ik dan ook meewarige blikken en wordt me gevraagd of ik denk dat hij mij nog kent.  Maakt me niet zoveel uit of hij zich mij nog kan herinneren.  Voor hem lijkt het me gewoon leuk om nog eens terug te horen, ook al zou hij geen idee meer hebben wie ik ben.  Als leraar van pubers heb je denk ik vast niet zo vaak het gevoel dat het gewaardeerd wordt wat je over probeert te brengen, maar misschien vergis ik me daarin.

Daarna hebben we af en toe wat heen en weer contact via de mail en ik besluit de afgelopen keer dat ik Nederland was hem even op te zoeken op school.  Flits, zomaar 30 jaar terug in de tijd.  Leuk om te merken dat zijn enthousiasme voor Frankrijk er nog steeds is.  Ik herken zijn houding, spraak en gebaren.  Ik krijg een hele stapel leesboekjes mee van hem en een lesboekje voor de leerlingen van het examenjaar.  Wat een leuke positieve ervaring!  En hij schrijft me aan het eind in een mail; Au plaisir de te lire ou de te voir…en ik vind het heel leuk om weer contact te hebben!’


In Nederland ga ik ook nog even langs bij een Franse kennis.  We hebben volop gespreksstof over allerlei onderwerpen die met Frankrijk te maken hebben.  Bijvoorbeeld hoe de kinderen op de Franse school perfect leren schrijven en wat te denken over de discipline die daar meegegeven wordt?  Ze beaamt dat zij vindt dat het Nederlands onderwijs daar veel minder aandacht aan besteedt en dat dit enorm wennen was voor haar.  Ze schrok toen er dit jaar bij haar dochtertje op het schoolrapport stond dat ze toch wel een slordig handschrift heeft en wat netter zou mogen gaan schrijven.  Als een Nederlander dat zegt, dan is het vast desastreus dat handschrift, was haar redenatie.

Op mijn beurt ben ik geschokt als ik het contract van 2 A4-tjes zie dat hier op de middelbare school moet worden ondertekend door de leerlingen.  Er staat bijvoorbeeld in dat je altijd twee hokjes van de kantlijn begint met schrijven (en dus echt nooit eerder of later), dat je absoluut niet met rood in je schrift werkt (dat doet de leraar wel) en meer van die aanwijzingen hoe je hoort te werken.  Om de zes weken lever je dan ook ter controle je schrift in bij de leraar.  Is zoiets nu wel goed voor de eigenheid en de zelfstandigheid, vraag ik me af?  Ik bedenk me dat de uitdrukking met de Franse slag zeker niet altijd op gaat.

Verder koopt mijn kennis als ze in Frankrijk is schriften met de Franse liniatuur (heel veel kleine lijntjes).  Nou dat vind ik maar niets.  Ik koop juist mijn schriften als ik in Nederland ben.  Dat dan weer wel.  We lachen samen en beseffen hoe diep bepaalde gewoonten dus in je persoonlijkheid verankerd kunnen liggen.  Zijn de lijntjes in een schrift nu werkelijk zo belangrijk?  Ja, kennelijk wel!

dinsdag 10 juni 2014

Met de Metro

“In tegenstelling tot het vorige omroepbericht rijdt de trein in de richting van Lelystad niet verder dan Roosendaal”.  Shit!  Heb ik weer.  Net op die ene dag dat ik van plan was met de trein een middagje naar kantoor in Den Haag te gaan, gaat m’n trein niet verder dan Roosendaal.  M’n trein, die niet verder zal gaan dan Roosendaal, is er trouwens nog niet.  15 minuten vertraagd.  Ook dat nog.  Mooi genoeg tijd om tot een weloverwogen besluit te komen: “ik laat het maar gewoon over me heen komen en zie wel hoe ver ik kom”.  Terwijl ik op het perronnetje van station Bergen op Zoom, op dat moment nog besluiteloos, me af vraag wat er aan de hand is en hoe de NS me naar Den Haag denkt te gaan vervoeren, klinkt het volgende omroepbericht:  “In tegenstelling tot het vorige omroepbericht …” – ik krijg ineens goede moed dat het probleem, wat het ook moge zijn, is opgelost – “… rijdt de trein in de richting van Lelystad niet verder dan Roosendaal”.  Hé wacht even, hier klopt iets niet.  Ik denk nog even dat ik het vast niet goed gehoord heb, maar na een derde keer weet ik het helemaal zeker:  Er is na tweeëneenhalf jaar helemaal geen steek veranderd bij de NS.  Nou goed dan: de trein in de richting Lelystad, maar niet verder dan Roosendaal, ging eerst altijd in de richting Amsterdam, maar niet verder dan Roosendaal.  Maar mijn vertraging van vandaag gaat opnieuw de boeken in als een jammerlijk incident.  Net als vroeger.

Inmiddels ben ik er achter wat het plan van aanpak gaat worden:  met de trein in de richting van Lelystad naar Roosendaal, daar overstappen op een stoptrein naar Lage Zwaluwe, vervolgens met de bus naar Zwijndrecht en dan hopen op een aansluitende trein naar Den Haag.  Ik maak me wel wat zorgen.  Dat Lage Zwaluwe, daar ben ik eens op een koude winterdag terecht gekomen, ook toen als gevolg van een compleet in het honderd gelopen feuille de route.  Dat nooit meer.  De rillingen lopen me weer over de rug als ik daar aan terug denk. 
 
Gelukkig is het vandaag lekker weer.  En verdraaid: het werkt.  Al is niet iedereen het daarmee eens.  Een studente, die op weg is naar iets wat wellicht veel belangrijker is dan mijn afspraak, begint aan de telefoon zachtjes te snikken.  Een echtpaar op leeftijd met een stel flinke koffers in de hand, kennelijk op weg naar Schiphol, ziet hun welverdiende vakantie voor hun neus wegvliegen.  Of misschien zijn ze wel op weg naar zoon en schoondochter, geëmigreerd naar een ver weg land en al veel te lang niet meer gezien.

Ondertussen ben ik wel blij met m’n besluit om op het perronnetje van station Bergen op Zoom niet meteen rechtsomkeert te maken en alles maar gewoon over me heen te laten komen.  Ik kan het me permitteren vandaag en een reisje met de trein in Nederland heeft aardig wat te bieden.  Ik geniet van het mooie groene landschap en kijk op van de explosie aan nieuwe windmolens in de Nederlandse polders.  Ik vind het wel passen.  En dan het nieuwe Rotterdam CS.  Imposant.  Ook dat past, bij Rotterdam.  Ik kom tijdens m’n reis nauwelijks toe aan m’n veel te hoog gegrepen Franstalige romannetje.  Gekocht om m’n Frans wat bij te spijkeren.  Ik kan er tijdens m’n reis m’n aandacht niet goed bijhouden.  Ook al doordat de Metro naar me ligt te lonken.  Ik lees een verhaal over “hidden cash”.  Die kende ik nog niet.  Welgestelden die er een sport van maken om zomaar ergens geld te verstoppen zodat het door elk willekeurig iemand gevonden kan worden.  Maak het dan maar over naar Oxfam Novib, zou ik zeggen.  Ik doe de Sudoku en blader wat door het krantje heen.  Ook aan de Metro is in de afgelopen jaren helemaal niks veranderd.  Maar god-zij-dank weet ik nu wel waar Waylon is!

zaterdag 17 mei 2014

La poursuite du bonheur

In Fès is het al lekker aan het zomeren. Temperaturen van goed boven de dertig graden en een zon waar je maar beter niet al te lang in blijft rondlopen.  Ik was tien dagen in Marokko en aangezien we sinds dit jaar een paar clubs steunen die in Fès kantoor houden gaf me dat een mooie gelegenheid om Fès in het weekend te verkennen.  En daar moet uiteraard op tijd bij gepauzeerd worden.  Terrasjes genoeg om dat te doen.

Ik heb zelf een poosje rondgehangen op het terras van het café aan de overkant van m’n hotel.  Beetje gewerkt nog, beetje passanten kijken, kopje koffie erbij.  Lekker relaxt en volop te beleven.  Het is een inmiddels bekend beeld:  bedelaars, schoenpoetsers,verkopers van tissues, illegaal gecopieerde cd’s of “echte” Ray-Ban zonnebrillen.   Alles kwam voorbij.  Maar daar bleef het niet bij.  In Fès bleek het terras een lopende band van diverse verkoopwaar.  Veel uitgebreider dan de terrassen in Tunis.  Met de schoenpoetsers duidelijk in de meerderheid.  Dat wel.

Met een zacht klopje van hun schoenborstel op hun houten kistje probeerden ze de aandacht te trekken, met een scherpe blik op het aanwezige schoeisel.  Niet al te opdringerig gelukkig.  Anders dan mijn ervaring met de schoenpoetsers in Zuidoost Azië.  Die zijn nog bereid om je witte gympen zo lang te boenen tot ze glimmend zwart zijn.  Niet nodig wat mij betreft, hoe hard ze er ook op aan probeerden te dringen.  En zeker niet met de schoenen die ik nu aanhad.  M’n zwarte lievelingsschoenen nota bene die ik een paar jaar geleden in Japan heb aangeschaft en die ik pas in de warmte van Tunesië en Marokko vaker ben gaan dragen.  Ik ben er nog steeds zuinig op.  Afblijven dus.  Poetsen doe ik zelf wel.

Kom maar op met die andere waar dus.  Zoals gezegd tissues, cd’s, zonnebrillen.  De bekende rommel waar niemand direct op zit te wachten.  Ben even kwijt of ik ook de gebruikelijke horloges voorbij heb zien komen, maar dat zal vast wel.  Nou ben ik niet direct van de impuls-aankopen.  Ga meestal met een boodschappenbriefje op pad en kom vervolgens meestal thuis met wat ik denk nodig te hebben, maar een beetje verkoper weet beter dan ikzelf wat ik nodig heb, niet waar?  Toch maar even opletten wat er verder nog voorbij komt.

Kijk eens aan: tondeuses.  Laten we die nou net al in huis hebben.  Caroline is er enorm handig mee en heeft me vlak voor ik op reis ging nog even onderhanden genomen.  Echt niet nodig dus.  Wel een prettige gedachte dat je in Fès niet helemaal naar de Mediamarkt hoeft te rijden voor een nieuwe.  Nadeel is wel dat je er hier waarschijnlijk geen gratis kabeltje bij kunt onderhandelen.  Deurmatjes dan misschien?  Hmmm.  De matjes zijn net zo grijs als de verkoper zelf.  Die moet wel heel hard z’n best doen om me er van te overtuigen dat ik zo’n matje nodig heb, maar z’n matjes hangen lusteloos over z’n arm en z’n gezicht staat al zo somber als de matjes zelf.

Volgende klant: zitkussens.  Althans, de hoezen.  Leer?  Nepleer?  Wie zal het zeggen?  Ik heb er niet veel verstand van en voel geen grote behoefte opkomen om er achter te komen.  De verkopers beginnen zich inmiddels een beetje te verdringen, maar ik begin te geloven dat ik vandaag met lege handen blijf zitten.  Speelgoed dan?  “Non merci, c’est trop gentil”.  Sokken en hemden?  Niet nodig hoor.  Een mobieltje?  De mijne doet het nog prima hoor, dus waarom zou ik in hemelsnaam een nieuwe aan moeten schaffen?  Als ze me de nieuwste generatie mobieltjes aan zouden bieden dan zouden mijn twintig jaar jongere collega’s hier waarschijnlijk wel kansen zien voor me, maar zelfs zij hebben me nog niet weten te overtuigen.  
En bovendien heb ik het gevoel dat ik deze mobieltjes al veel vaker heb gezien.  Van de vrachtwagen gevallen of zo. 
Als ik de moed bijna verloren heb staan er plots een paar strijkplanken naast me.  Zeg, wat denk je nou?  Dat ik zo’n kreng helemaal mee naar Tunis ga slepen?  Ineens moet ik heel erg aan Will Smith denken en verwacht ik dat die elk moment het terras op kan komen lopen met een medical bone density scanner.  Ik zou er in Fès niet van op hebben gekeken.  Hij heeft het geluk uiteindelijk gevonden.  Maar dat was in Hollywood.

woensdag 22 januari 2014

In het land van de lotus-eters

Terug op Djerba hebben we niet één lotus-bloem gezien.  En dat terwijl Djerba toch te boek staat als het land van de lotus-eters.  Dat heeft Djerba te danken aan de legende van Odysseus die tijdens zijn lange reis na de inname van Troje ook dit eiland aandeed.  Volgens die legende raakte Odysseus er bijna zijn hele bemanning kwijt.  Een aantal bemanningsleden was van boord gegaan en had zich tegoed gedaan aan lotus-bloemen.  Een lokale delicatesse kennelijk.  Maar doordat ze compleet bedwelmd waren geraakt door het eten van de bloemen kostte het Odysseus vervolgens de grootst mogelijke moeite om weer van het eiland weg te komen.  Misschien waren de lotus-bloemen wel zo populair dat ze daarom nu nergens meer te vinden zijn op Djerba. 
En zo kostte het ons niet al te veel moeite om het hoofd koel te houden.  Al was het wel opvallend dat Caroline de eerste morgen dwars door de oproep voor het gebed heen sliep terwijl ik rechtop in bed zat en de nodige tijd nodig had om een beetje bij te komen van de schrik.  Ons hotel lag in het centrum van het oude stadje omgeven door een aantal moskeeën.  En een Maltees kerkje om de hoek trouwens, wat ook op zondag erg stil was.  Bij ons in La Marsa is het in ieder geval een stuk rustiger.

Hoewel we dus geen lotus-bloemen hebben kunnen ontdekken is Djerba nog steeds een aantrekkelijk eiland.  Desondanks blijven de meeste toeristen angstvallig binnen de goedbewaakte muren van hun all-in resort aan de noordoostkant van het eiland.  Veel toeristen waren er trouwens niet.  Afgeschrikt door alle negatieve publiciteit in de westerse media, wat zo rond kersttijd nog eens flink aangedikt werd.  Kersttijd zou een mooie tijd zijn voor terroristen om toe te slaan en de toch al wankele politieke situatie in Tunesië verder te ondermijnen.  De “dreiging” maakte het er niet gezelliger op.  Veel hotels langs de kust van Djerba zijn inmiddels al behoorlijk in verval geraakt, en de verscherpte bewaking en de politiecontroles leveren een nog wat grimmigere sfeer op, ook al hebben die controles feitelijk weinig om het lijf en ook al worden ze nogal knullig uitgevoerd.  Zodra duidelijk is dat je Europeaan bent – een eenvoudig bonjour of bonsoir is daarvoor over het algemeen al voldoende – kun je je weg direct vervolgen.

De toeristen die we op de voorlaatste dag van onze vakantie tegenkwamen op een terras van één van de all-in resorts die nog wel in bedrijf waren, leken zich overigens weinig van enigerlei dreiging aan te trekken.  Maar die zijn dan al met weinig tevreden, zolang ze hun natje en droogje maar op tijd hebben.  Jammer, want zo missen ze heel wat.  Zoals we in onze vorige blog al schreven hadden we zelf een kamer geboekt in een voormalige fondouk, in het hart van Houmt Souk.  Een klein gezellig stadje met een paar leuke souks en levendige terrasjes.  De souks richten zich vandaag de dag vooral op de toeristen, die er dus nauwelijks zijn, en er zitten daarnaast ook volop kleine kruideniertjes, kleermakers, weverijen, kapperszaakjes en dergelijke voor de lokale bevolking.  We hebben aardig wat tijd doorgebracht in Houmt Souk, vooral met een heerlijk glas jus d’orange, lekker in het zonnetje op een van de vele terrasjes.


Maar we hebben ook de omgeving van Houmt Souk verkend.  Zoals de oude Siciliaanse burcht uit de 13e eeuw, vlak aan de kust, en het pottenbakkersdorpje Guellala.  Niet op de fiets, zoals we aanvankelijk nog hadden overwogen, maar gewoon met de taxi en met onze huurauto, zoals te doen gebruikelijk.  De reisgidsen hadden ons vooraf lekker gemaakt door te melden dat Djerba prima met de fiets te verkennen is en dat er volop fietsenverhuurders zouden zijn, maar dat bleek in de praktijk nogal tegen te vallen.  Ook het fietspad (!) tussen de toeristenzone en Houmt Souk leek al geruime tijd niet meer gebruikt te zijn;  niet onderhouden en flink overwoekerd door struiken.  We zijn er inmiddels al wat aan gewend geraakt.

Eén van de belangrijkste bezienswaardigheden van Djerba is de wereldberoemde synagoge van Erriadh, een paar kilometer buiten Houmt Souk.  Niet vanwege de geweldige architectuur of z’n enorme omvang of iets dergelijks, maar vanwege z’n historische belang.  Djerba heeft van oudsher een relatief grote joodse gemeenschap en de synagoge van Erriadh is een belangrijk pelgrimsoord voor joden uit heel Noord-Afrika. 
 
De synagoge zou gebouwd zijn op de plek waar een steen uit de hemel neer zou zijn gevallen, waarna een mysterieuze vrouw was verschenen die de bouw van de eerste synagoge van Noord-Afrika zou hebben geleid.  Meer dan 2000 jaar geleden.  Of de verteller van dat verhaal ook een liefhebber was van lotus-bloemen hebben we trouwens niet kunnen achterhalen.

dinsdag 7 januari 2014

Het zuiden

Bij ons in La Marsa hangt een hele mooie foto boven de bank.  Een oud bergdorpje met huisjes van okerkleurige stenen met op de voorgrond een witte minaret.  Tamelijk bekend in Tunesië.  Het zou ergens in het zuiden van de bewoonde wereld van Tunesië liggen, in de buurt van Matmata.  Daar waar zo’n beetje de woestijn begint.  Niet ver van Djerba, waar we voor de kerstdagen en de jaarwisseling een hotelletje hadden geboekt.  Voor een week, om even bij te komen, maar natuurlijk ook om Djerba en omgeving te verkennen en om met eigen ogen dat mooie fotogenieke dorpje te gaan zien.  Ons hotelletje was in één van de vele fondouks in Houmt Souk, die oorspronkelijk dienst hebben gedaan als karavanserai voor de handelaren die in Houmt Souk zaken kwamen doen.

Dat je in Djerba in de buurt van de Sahara komt was al snel te merken.  Toen we de eerste dag in Houmt Souk op een terrasje zaten trok er een grote geelgrijze wolk voor de zon.  Ik dacht nog even nietsvermoedend aan een dreiging van regen, maar toen het er ook nog even bij ging waaien kwam er hele fijne neerslag uit.  Zand.  Overal in de het stadje ligt zand.  Op de pleintjes, op de straten, overal zand.  Om bij de woestijn te komen hoef je met de auto alleen nog maar het eilandje af.  Eén dag, om de omgeving van Matmata te gaan verkennen, hebben we dat gedaan met het pontje aan de westkant.  Zodra je het eiland af bent kom je in een droog en verlaten landschap.  Nog wel wat olijfboomgaarden, maar verder toch vooral veel zand.  In de verte zien we een kudde kamelen.  De streek rond Matmata is vooral bekend om z’n grotwoningen en oude Berberdorpen in de bergen.

George Lucas was zo onder de indruk van deze streek dat hij er opnamen heeft gemaakt voor Star Wars, oftewel La Guerre des Étoiles, zoals het in goed Frans heet.  De landschappen zijn er werkelijk adembenemend.  En de Berberdorpen die we zien, met name Toujane en Tamezret, waar de tijd heeft stilgestaan, spreken tot de verbeelding.  Maar ze zijn niet zo fotogeniek als het dorpje op de foto boven onze bank.


Twee dagen later gaan we richting Tataouine.  Dit keer nemen we de oude Romeinse dam aan de zuidkant van Djerba.  Weinig herinnert er nog aan dat de dam door de Romeinen is aangelegd of het moet het hobbelige wegdek zijn.  Na een paar kilometer komen we bij een kruispunt.  Rechtsaf richting Medenine over een goed begaanbare provinciale weg, of rechtdoor naar Tataouine, dwars door de woestijn.  We kiezen voor de woestijn.  Een kilometer of 75 te gaan en de weg is tamelijk goed.  We zijn blij dat we voor deze route gekozen hebben.  En hoewel de naam Tataouine klinkt als  een mooie planeet in een “galaxy far far away”, heeft het stadje zelf niet zo veel te bieden.  Nadat we de tank van onze huurauto opnieuw volgegooid hebben gaan we direct door.  Het gebied rond Tataouine staat bekend om de ksour; een soort burchten die werden gebruikt voor de opslag van graan en andere goederen.  We bekijken de Ksar Ouled Soltane en Ksar Hadada.  Die laatste fungeerde als decor voor de woonplaats van Anakin in Star Wars, Episode I, The Phantom Menace.

Maar behalve de ksour valt er nog meer te genieten.  Aan de westkant van Tataouine zien we in de bergen een kleine witte moskee liggen, vlak bij het dorpje Chenini.  Het blijkt de moskee van de Zeven Slapers te zijn.  Volgens de legende waren op de plek waar de moskee staat zeven Christenen op de vlucht voor de Romeinen in slaap gevallen om pas 400 jaar later wakker te worden in de tijd van de Islam.  Kort nadat ze wakker waren geworden lieten ze al weer het leven, maar niet nadat ze zich nog snel tot de Islam hadden bekeerd.  Zo konden ze gelukkig toch nog naar de hemel.  Althans, zo wil het verhaal.  Nog mooier dan het verhaal is het moskeetje zelf trouwens.  Z’n minaret een beetje scheef als een boompje in de wind.  Prachtig gelegen in de bergen.

Chenini zelf ligt een kilometer verderop, bovenop een bergkam.  Het ziet er mooi uit van een afstandje, maar we aarzelen om er naar toe te rijden wanneer we een gammel autootje over een smal onverhard weggetje naar beneden zien hobbelen.  We besluiten om toch maar verder te gaan.  Wanneer we om de bergkam heenrijden zien we Chenini ineens van de andere kant, een okerkleurig dorpje met een witte minaret er  voor.
Verdraaid, het dorpje van de foto boven onze bank.  Inderdaad erg fotogeniek.  Beneden staan twee bussen en een aantal souvenirwinkeltjes, maar in het dorpje is het rustig.  We blijven zelf niet al te lang, want we hebben nog een aardige weg voor de boeg, terug naar Djerba, het land van de lotus-eters.